Cultuur, Religie en het Zelfvertrouwen van de Intellectueel.

De ideeëngeschiedenis bestudeert vragen van denkers en antwoorden die zij hebben geformuleerd op brandende maatschappelijke kwesties. Sommige van deze kwesties hebben opeenvolgende generaties beziggehouden. Zo ontstaat over een langere periode een samenhangende lijn van beïnvloeding, intellectuele tradities en denkscholen. Overwegingen van Plato in de Politeia, Machiavelli in de Heerser of Rousseau in het Sociaal Contract. Het zijn voorbeelden van denkers die door de sociale – en politieke geschiedenis heen van blijvende invloed zijn gebleken. Arthur Lovejoy (1873 – 1962), grondlegger van de moderne ideeëngeschiedenis, spreekt van een ‘unit-idea’: een idee die over een langere periode is vertaald in filosofische reflecties, kunst, cultuur, literatuur en politiek .[1]

 In zijn beroemde essay Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? (1784) stelt Immanuel Kant de verlichting voor als de bevrijding van de mens uit zelfgekozen onmondigheid. Niet cultuur, religie, traditie of geschiedenis, maar zijn lot bepaalt de mens zelf. Vanaf dat moment is de scheidslijn tussen traditionalisten en conservatieven aan de ene kant, liberalen en vooruitgangsdenkers aan de andere kant een politiek-filosofisch feit.

De term gegenaufklärung is voor het eerst in conceptuele zin gehanteerd door Friedrich Nietzsche “Es giebt kürzere und langäre Bogen der Culturentwicklung. Der Höhe des Aufklärung entspright die Höge der Gegen – Aufklärung in Schopenhauer und Wagner.”[2] Cultuur ontstaat niet spontaan, maar is altijd het gevolg van een intellectuele oefening.
Een begrip dat in het begin van de 20e-eeuw in zwang raakt onder Duitse conservatieve intellectuelen en in de jaren-50 door Isaiah Berlin in het Angelsaksische taalgebied wordt geïntroduceerd. In publiek-intellectuele reflecties spreekt men in Nederland van ‘de romantiek’ of conform het sociaal-conservatieve tijdgewricht over ‘de conservatieve vooruitgang’. De belangstelling in academische kringen is echter groeiende gelet het in 2013 gepubliceerde Cultuur als Macht van historicus Frits Boterman.[3] Een containerbegrip dat de connectie vormt tussen een los netwerk van auteurs die zich vanaf de 18e-eeuw verzetten tegen verworvenheden en aspiraties van de verlichting: democratie, pluralisme, universalisme en het primaat van de rede. Aan het einde van de 20e-eeuw en begin van het nieuwe millennium presenteert de contra-verlichting zich in Europa als verzet tegen het multiculturalisme. Er is geen consistent theoretische structuur, maar wel het samenbindend vermogen van een intellectuele traditie met voldoende noodzakelijke interne cohesie om zich te kunnen presenteren als alternatieve moderniteit.

In twee verschillende maar in vele opzichten overeenkomstige periodes in de Europese geschiedenis, de vroege romantiek volgend op de Sturm und Drang-beweging en het Interbellum aan het begin van de 20e-eeuw, heeft de relatie tussen religie, cultuur en politiek een invloedrijke zo niet alles bepalende rol gespeeld. Beschouwing van deze twee perioden biedt zicht op de rol van het Christendom in de Europese cultuur. Vermenging van politiek en cultuur is een thema die de 18e-eeuwse intellectuelen avant la lettre de ItaliaanGiambattista Vico (1668 – 1744), De Duitstalige Johannn Georg Hamann (1730 – 1788), Johann Gottfried von Herder (1744 – 1803) ,Georg Friedrich Philipp Freiherr von Hardenberg, alias Novalis (1772 – 1801), Friedrich Schleiermacher (1768 – 1834), de Franse Joseph de Maistre(1753 - 1821), en de Ier Edmund Burke (1729 – 1797) ideeënhistorisch in verband brengt met de Duitse interbellumintellectuelen waaronder Oswald Spengler (1880 – 1936) en Carl Schmitt (1888 – 1985) .

De idée-mère, van dit verband betreft de conservatieve kritiek op de kernprincipes van de verlichting en de rationele moderniteit waaronder de Rechten van de Mens en de Burger, de op de rede gebaseerde universele waarden, autonomie van het individu, gelijkheid en democratie op basis van de scheiding der machten. Zowel bij de vroegromantici als bij de interbellumintellectuelen is als gevolg van het Franco-Kantiaanse verlichtingsdenken een overeenkomstig gevoel van ‘crisis in de cultuur’ ontstaan. Dit gevoel laat zich in de literatuur omschrijven als het verlies van een ‘sense of belonging’, een ‘crisis of conciousness’ en het gepercipieerde ontbreken van een ‘bezielend verband.’

Dat de Franco-Kantiaanse verlichting mede op instigatie van de Tractatus Theologico-Politicus (1670) van Barouch de Spinoza (1632 – 1672) de ondergang van het Christendom als politieke machtsfactor in Europa heeft ingeluid is algemeen bekend.[4] De vraag of de teloorgang van het Christendom in Europa het (zelf)vertrouwen in de Europese cultuur heeft ondermijnd zou door Hamann, Herder en de Maistre zonder enige twijfel positief beantwoord zijn. Immers de verdwijning van de normativiteit van een religieuze weltanschauung zal volgens Herder en met name de Maistre leiden tot verlies van orde en gezag. De naweeën van de Franse Revolutie en de terreur van de Jacobijnen bevestigen hun vermoeden.

De 18e-eeuw kent niet alleen conservatieve vroegromantici maar ook radicale verlichtingsdenkers. Baron Paul-Henri Thiry d’Holbach (1723- 1789) en Denis Diderot (1713-1784) leven in een tijd waarin het gevaarlijk is om publiekelijk scepsis te uiten over het godsgeloof. In heel Europa biedt het Christendom belangrijke steun aan het ‘zelfvertrouwen’ van het Ancien Régime, welke zich uit in de geaccepteerde macht van adel en clerus tegenover het volk. Geestelijken ontvangen geld en privileges als zij op hun beurt het volk voorhouden dat het Godswil is de boven hen gestelde overheden te gehoorzamen. Atheïstische geschriften komen dan ook anoniem uit en ook de grote Voltaire huldigt deïstisch opvattingen om de goede relaties met kerk en adel niet op het spel te zetten. Een intellectueel die ter wille van zijn adellijke en kerkgelijke contacten zijn verlichtingsdenken matigt.[5] Philipp Blom bespreekt in Het Verdorven Genootschap de nachtelijk overpeinzingen van en atheïstische kapelaan Jean Meslier (1664 – 1729). Op het punt van de godsdienstkritiek heeft naast Spinoza Meslier een grote invloed op Diderot evenals d’Holbach, die menig bekende schrijver en denker als disgenoot heeft in zijn salon aan de rue Royale Saint-Roch in Parijs.[6] Meslier schrijft in het geheim een voor die tijd strafbare aanklacht tegen de kerk die hij dient. Gelovigen worden geëxploiteerd, arm, dociel en dom gehouden door priesters en de magistratuur. De adel maakt daar misbruik van. Het manuscript gaat buiten het zicht van de autoriteiten van hand tot hand en wordt later door Voltaire geredigeerd en gekuist zodat het voor het grote publiek en zijn adellijke vrienden aanvaardbaar is.[7]

In onder pseudoniem uitgegeven, in Amsterdam gedrukte en in Frankrijk clandestien binnengesmokkelde werk Le Christianisme dévoilé, beschrijft d’Holbach in navolging van Meslier het Christendom als gevaarlijke onzin omdat het, aldus Philipp Blom, gelovigen ‘slaaf maakt van een illusoire macht vertegenwoordigt door geestelijken die zich hebben volgevreten ten koste van het bijgelovige volk.’ [8] d’Holbach: ‘Alle religies pretenderen uit de hemel afkomstig te zijn, allemaal verbieden zij het gebruik van het gezond verstand, allemaal pretenderen zij de waarheid in pacht te hebben, maar in laatste instantie zijn ze allemaal onbetrouwbaar en vol tegenstrijdigheden. Het christelijk geloof wijkt geenszins af van de andere vormen van bijgeloof waarmee het universum behept is.’ [9]

Zowel de (radicale) verlichtingsdenkers als de contra-verlichte romantici hebben niets op met op machtshebbers van het Ancien Régime. Beide groepen doen pogingen met hun geschriften in de publieke belangstelling te komen om zo een positie van macht en aanzien tussen volk en elite te verwerven. Boterman laat hierbij zien dat de sociaaleconomische - en maatschappelijke status van deze intellectuelen meer dan tot nu toe is aangenomen een belangrijke rol heeft gespeeld bij de formulering van de soms radicale meningen.[10]

Maar terwijl de Franse philosophes zich bedienen van religiekritiek als voornaam middel om de idealen van de verlichting te realiseren, verdedigen de denkers van de Weimarer Klassik het Christendom als constitutief aan maatschappelijke orde en gezag. Van deze groep bedenkt Herder een manier om de staatsmacht te ondermijnen en de ideeën van de verlichting te frustreren. De cultuurnotie. Het belang van de (volkse) cultuur en de Duitse tradities, waarin niet alleen het Christendom, maar ook de (lokale) mythen en sagen een wezenlijk belang vertegenwoordigen. Herder beschouwt de cultuur als een levend weefsel, een organisch geheel met geheel eigen doelstellingen en eigenschappen waar de mens zijn vertrouwen en leven op baseert. Verlies van vertrouwen door afname van de invloed van religie leidt tot nihilismus.[11]

Frederik de Grote van Pruisen (1712 – 1786) heeft ondertussen de verlichting omarmd. De verschrikkelijke ‘seniele oude man’ Voltaire komt er op de thee. Daar moest wat aan gebeuren. De methode-Herder[12] zal voor de contrarevolutionairen en de latere romantici tot de huidige dag een inspiratiebron zijn als middel om via cultuur politieke macht te organiseren en (intellectuele) autoriteit te verwerven. Of de teloorgang van het Christendom het (zelf)vertrouwen in de Europese cultuur heeft ondermijnd is kortom een vraag die ook Herder zich zou stellen.

Politieke activisten en de freischwebende intelligenz hanteren de cultuurnotie als middel tot maatschappij – en moderniteitskritiek, politieke machtsexpansie, representatie van machtspolitiek, compensatie van politieke onmacht, als pseudoreligie en als middel om de eigen machtspositie ten opzichte van de massa te definiëren.[13]

Cultuur ontstaat dus niet spontaan, maar is altijd het resultaat van een intellectuele oefening die effectief aansluit op intuïties en pre-theoretische noties inzake authenticiteit, veiligheid en een gevoel deel uit te maken van een groter geheel. Mythevorming en het aan elkaar doorvertellen van verhalen die verwondering, spanning en sensatie oproepen vormen daarbij de randvoorwaarden. Cultuur volgt op het succesvol lanceren van ideeën die gedurig een plaats krijgen in het collectieve bewustzijn. Het doel is altijd de fabricatie van een publiek die zich richt op wat te denken in plaats van hoe te denken, om uiteindelijk te handelen naar de gelanceerde essentialia. Kortom, cultuur is geen spontaan verschijnsel maar altijd het resultaat van intellectuele marketing. Dit gegeven verplaatst de aandacht naar de constructeurs van de gebruiken, de gewoonten, de riten en de sagen. Wat zijn de intenties van deze intellectuelen? Willen ze de mensheid vooruit helpen of zijn het statuszoekers gericht op zelfpromotie? Denken ze daarbij na over ethische dilemma’s? Met iedere generatie publieke intellectuelen komen er nieuwe ‘producten’ op de markt voor het collectieve bewustzijn. Oude producten worden gemodificeerd of soms radicaal geëlimineerd. Het eindresultaat noemen wij geschiedenis.

Het toekennen van absolutie aan de cultuur zoals bij Herder en zijn historisme of de toekenning van een teleologie aan de geschiedenis, zoals in het historicisme van Hegel en Marx, is dan ook totale onzin.[14] Geschiedenis is een intellectueel construct.

De God van het Christendom of liever gezegd de schrijvers over God zijn de meest succesvolle publieke intellectuelen aller tijden. Zijn magnum opus, de bijbel is over de millennia bekeken een zeer succesvol boek. Het Christendom is de oude kompaan van de rangen- en standen maatschappij. Gedienstig aan een wereld die is bepaald door het culturele zelfvertrouwen van de adel. Zelfvertrouwen associëren met het Christendom is in zekere zin terugverlangen naar ongelijkheid en de voorbeschikking. Naar een situatie waarin de macht geconcentreerd is. Naar de sterke leider die helderheid en duidelijkheid schept.

In de tijd toen het Christendom nog een allesbepalende dagbesteding was en intellectuelen zich bezig hielden met hun godsbewijzen, vond Richard Leeuwenhart de tijd voor zijn kruistochten. Wat een cultuur van zelfvertrouwen moet dat niet geweest zijn. Maar de zoektocht naar alternatieven voor een hernieuwd pan-Europees collectief bewustzijn dat een einde moet maken de huidige politieke verlamming en een alternatief moet bieden voor de abstracte universalistische rationaliteit uit ‘Brussel’, betekent de inzet van nieuwe intellectuele rekenkracht.

Religie is een verzamelnaam van alles dat het resultaat is van transcendente intellectualiteit. Gelovige intellectuelen zijn in dit opzicht te beschouwen als   transcendente theoretici. Ideologen die een religie uitvinden, promoten en onderhouden. Men verwijst ter ondersteuning van het verhaal niet naar de immanentie zoals Marx zou verwijzen naar kapitaal en arbeidsomstandigheden of Oswald Spengler die debiteert over de exceptionele Duitse cultuur en het gepercipieerde verval daarvan. De blik gaat simpelweg omhoog in een poging een verhaal te construeren die betekenis verstrekt, heelheid, verwachting en verlossing in zich draagt. Het gaat immers niet om het waarheidsgehalte van het verhaal. Het gaat erom om een publiek te construeren die luistert en handelt overeenkomstig de waarden die de religie vertegenwoordigt. Uiteindelijk is het te doen om de acquisitie van macht en invloed. Religie is zo een product op de afzetmarkt van de irrationaliteit en voorziet in de primordiale behoefte ergens bij te horen en deel te zijn van ‘iets’ dat verheven is. In deze zin is Jezus een van de meest succesvolle publieke intellectuelen. Het verhaal wordt bedacht, geïmplementeerd, doorvertelt en binnen de korte keren is het een traditie. Religie kan alleen succesvol zijn als het aansluit op pre-theoretische noties en intuïties van mensen. Angst is zo’n notie en gedienstig tot gehoorzaamheid, daar anders de christelijke hel wacht.

Joseph de Maistre maakt de gevolgen de Franse Revolutie van dichtbij mee en ziet het als een straf van God. Frankrijk heeft zich ingelaten met het verlichtingsdenken en in het Christendom vindt hij de argumenten tegen de nieuwe tijd. De behoefte aan orde en gezag betekent voor de Maistre dat de oude orde van monarchie en aristocratie met behulp van het geloof gehandhaafd moet worden. Het mysterieuze is belangrijker dan wat wij kunnen weten.[15] Vrije meningsuiting, individualisme, liberalisme en rationeel zelfbestuur leidt klaarblijkelijk tot chaos en terreur, zoals hij waarneemt bij Robespierre en zijn Jacobijnen.

Het draperen van de werkelijkheid rondom een perspectief is een typische intellectuele activiteit. De journalistieke component in dit proces laat de werkelijkheid zien zoals het is. De invloed van de ‘verslaggever langs de lijn’, de intellectueel die observeert en analyseert, beperkt zich tot een gekozen selectie van beelden die uiteindelijk nauwelijks van invloed zijn op de wijze waarop de werkelijkheid wordt gepercipieerd. Een redactioneel commentaar over het hoe en waarom geeft weliswaar een geheel ander beeld van een oorlog dan wanneer slechts gruwelijke beelden van gemutileerde lichamen worden getoond. Maar in beide gevallen weet de kijker dat het oorlog is. Anders is het gesteld met de politieke zijde van de intellectualiteit. Wanneer er niet zo zeer wordt geobserveerd en geanalyseerd, maar vooral wordt geïnterpreteerd. Dan is het semantisch gesproken utilistisch en teleologisch gericht op een sturende constructie van de werkelijkheid. Een perspectief dat niet simpel verslag uitbrengt, maar de ‘werkelijkheid’ actief construeert. Wanneer de teloorgang van het Christendom is gekoppeld aan de staat van ‘zelfvertrouwen in de Europese cultuur ‘ dan is er sprake van framing op grond van de vooronderstellingen die besloten liggen in de vraagstelling. Vooronderstellingen die teruggaan op het organicisme van Herder en onmiskenbaar sturend zijn voor wat betref de richting en de reikwijdte van antwoorden. De antwoorden zijn dan ook niet analyserend, maar parochiaal.

Hoe framing ‘de werkelijkheid in perspectief’ plaatst betreft de lijn van ideeën die inzicht verschaft over het ontstaan van het anti-Amerikanisme en de daaraan verbonden moderne antisemitisme. Dat Engeland de kolonie niet wil opgeven heeft niet slechts te maken met economische gewin, maar met de idee dat Amerika niet tot ‘cultuur’ in staat wordt geacht. In 1770 lanceert Cornelis de Pauw (1739 – 1799), filosoof, geograaf, filoloog en diplomaat aan het hof van Frederik de Grote de ‘degeneratie these.’ Een concept dat in het eerste kwart van de 20e eeuw in Duitsland een belangrijke rol zal gaan spelen.[16] De inwoners van Amerika inclusief de flora en fauna zijn inferieur aan de Europese schrijft de Pauw in Recherches philosophiques sur le Américains: Mémoires intéressants pour servir a l’ histoire de l’espèce humaine.[17] De Pauw ziet niets in ideeën over zelfbeschikking en keuzevrijheid van de Founding Fathers. Democratie aldus de Pauw leidt onvermijdelijk tot een strijd van allen tegen allen omdat wij worden bepaald door erfelijkheid, milieu en klimaat. De indianen aldus de Pauw zijn genetisch inferieur, vaak ziek, lui en vooral dom.[18] In Amerika is er geen filosoof, denker, wetenschapper of kunstenaar te bekennen, aldus de Pauw. Autoritair leiderschap blijft daarom nodig. Een lijn van denken die begint bij de Pauw en via contrarevolutionairen de Maistre en Arthur de Gobineau (1816 – 1882) loopt naar de Duitse conservatieve revolutionairen Oswald Spengler (1880 - 1936), Carl Schmitt (1888-1985) en de filosoof Martin Heidegger (1889 – 1976).[19] In Considarations on France [20] beschouwt de Maistre de nieuwe Amerikaanse administratie als symptoom van zwakte en verval[21] die zo verwacht hij spoedig door onenigheid ten onder zal gaan. Democratische deliberatie leidt immers tot besluitenloosheid en verwarring.[22] Autoriteit is alleen stabiel op basis van traditie en een door God gezalfde heerser. De Gobineau voegt daar het etnische element aan toe. Geïnspireerd door het biologisch determinisme van de Pauw ontvouwt De Gobineau in Essai sur l'inégalité des races humaines de these over de onoverbrugbaarheid van menselijke rassen. De idee dat raszuiverheid cultuur produceert - het is ondertussen 1855 en The Origins of Species van Darwin is twee jaar eerder gepubliceerd - moet het zelfvertrouwen van de superieure cultuur van het superieure blanke ras vrijhouden van degeneratie door etnische vermenging in Amerika. Alexis de Toqueville (1805 - 1859) bezoekt het land en brengt verslag uit in De la démocratie en Amérique. Uit de correspondentie over de toekomst van Europa tussen de ondertussen Europese liberaal Alexis de Tocqueville - in 1849 de Franse minister van buitenlandse zaken - en zijn reactionaire persoonlijk secretares de Gobineau blijkt dat het contra-verlichte schrikbeeld over Amerika bij Europese isolationistische en cultuur georiënteerde intellectuelen volslagen onzin is[23] In de 20e eeuw wordt de Gobineau postuum geridderd door de Nazi’s. Oswald Spengler is met name beïnvloed op het punt van de verval van de Europese cultuur. Een opvatting die ook de contemporaine conservatieve intellectuelen zal beïnvloeden. Theologische argumenten van de vroege contrarevolutionairen om het autoritarisme te rechtvaardigen zijn dan naar de achtergrond verdwenen. Slechts met het decisionisme van de sterke leider is het zelfvertrouwen in de Europese cultuur te redden van de kille rationele Moderniteit. Door de politieke theologie van Carl Schmitt heeft het Christendom een intellectuele transformatie ondergaan. Van exegetische - en transcendente basis voor autoriteit tot echo van rechtvaardiging voor de sterke leider.[24]

Het metafysisch ‘Amerika’ zal met Heidegger model komen te staan voor een Kulturlose Gesellschaft waar de Zivilisation van de verlichting vaste voet aan de grond krijgt in een ‘zielloos, instrumenteel en kapitalistische massasamenleving’.[25] In 1933 zal hij als rector in Freiburg docenten ontslaan vanwege een ‘Veramerikaniseerd’ gedachtengoed.[26]

De kritische blik van conservatieve denkers vanaf de 18e eeuw op de onafhankelijkheid en de vorming van de Verenigde Staten van Amerika - de losmaking van Engeland is in feite de bevrijding van een diepchristelijke, van zelfvertrouwen blakende moedercontinent - is in vele opzichten gelijksoortig aan als de huidige kritiek op een ‘onafhankelijk’ Europa Id est een Europa van een verregaande economische - en politieke integratie. De weg naar de onafhankelijkheid van de afzonderlijke natiestaten en de overdracht van bevoegdheden aan de spreekwoordelijke hoofdstad van België stuit evenzo op verzet van de huidige generatie Herderianen. Misschien kan een collectief Europees ‘cultureel’ bewustzijn een alternatief zijn en een tegenwicht bieden aan de Brusselse abstract universalistische collectiviteit. Zou de ‘oude dame’ het Christendom weer ingezet kunnen worden evenals ze bruikbaar is gebleken bij de kritiek op de onafhankelijkheidsstrijd van Amerika?

Wie de werkelijkheid in perspectief wil plaatsen ontkomt niet aan de intellectuele geschiedenis en de ideeëngeschiedenis. De afgelopen 25 jaar heeft Nederland kennis gemaakt met haar eigen conservatieve Sturm und Drang-intellectualiteit. Evenals de Duitse evenknie voor hen hebben professorale intellectuelen omschreven als de academische Acht - Frits Bolkestein, Frank Ankersmit, Paul Scheffer, Arend-Jan Boekestijn, Ad Verbrugge, Afshin Ellian, Bart Jan Spruyt en Paul Cliteur - in de geest van Herder zich een plaats van erkenning bevochten tussen volk en de contemporaine (politieke) elite. De kritiek richt zich nog slechts in zeer bedekte termen tegen de verlichting en de democratie. Dat zou anders intellectuele zelfmoord zijn. Het nieuwe Ancien Régime heet nu ‘politieke elite.’ De kritiek richt zich in de periode 2002 tot 2010 tegen een van de uitvloeisels van de Franco-Kantiaanse verlichting: het universalisme besloten in het multiculturalisme en een bepaalde conceptie van het cultuurrelativisme.

Het wordt tijd voor een j’accuse. En in dit liberaal-conservatieve tijdsgewricht zeker een afwijkende mening. De afgelopen 15 jaar heeft in Nederland een kaalslag plaatsgevonden in het denken over politiek en samenleving. Het intellectuele landschap in het publieke debat ligt er monocultureel bij. Denkversmalling heeft een eenduidig discours opgeleverd waarbij conservatieve analyses over cultuur, traditie en ‘het eigene’, ingegeven door problemen rondom de multiculturele samenleving, de aanslagen in New York en westerse hoofdsteden, dominant zijn gebleken. Convergentie in denken heeft de burger in beweging gebracht,
waarbij een vulgaire alliantie tussen het intellectuele cultuur-conservatisme aan de ene kant en het proletisch cultuur-conservatisme, beheert door het Kamerlid Geert Wilders, aan de andere kant, geleid heeft tot de formatie van een op herkenning gerichte politiek-populistische massamens. De theoretische achtergrond van deze alliantie laat zich als volgt spellen. De kiezer is een lokaal gesitueerd wezen, weinig cosmopolitisch - Nederland reikt immers verder dan de grachtengordel - beperkt internationaal gericht, behoeftig aan 'sociale bescherming', gebonden aan traditie, aan culturele 'eigenheid', die onmiddellijk moet worden herkend, zonder welke hij zich machteloos voelt en zich uit pure frustratie terugtrekt in een populistische protestbewustzijn. Deze bijzondere soort Burger is op zoek naar 'veiligheid' door 'samenhang' en voelt de behoefte 'deel uit te maken van een doorgaande geschiedenis.' Vooral het huidige ‘Europa’ moet het ontgelden. Na de onaangepaste migrant uit 'Het Land Van Aankomst' een gevaarlijk soort draak dat zich klaarblijkelijk weinig gelegen laat aan de 'nationale gedachte.' Wat ooit als nationalisme is geduid, heet nu 'eigenheid' en 'bezielend verband.' Bovendien, nu de ratificatie het Europese Grondwet in 2005 via politiek-intellectuele spin is afgewezen, moet 'Europa' wel een probleem zijn.

De intellectuele constructie van een dergelijk protestbewustzijn is het succes van het moderne conservatisme in Nederland. Nieuw is dit overigens niet. Elke politieke theorie heeft behoefte aan publiek. De massamens. De raison d'être van elke theorie is immers de acquisitie van aanhangers. Marx noemde zijn massamens proletariaat. Nietzsche de übermensch. Wilders mag het doen met 'Henk en Ingrid.' Het conglomeraat van reaguur, Bokito-burger en elitair-populist wordt hier geduid met het te introduceren begrip Plebiscitariaat: het intellectuele proletariaat van de welvaartsstaat Te beschouwen als een van de vele verschijningen van het vercommunitariseerde individu. Nederland moet het doen met de gevolgen van dit conservatieve ‘succes.’ In twaalf jaar tijd zes landelijke verkiezingen, de vlucht van de plebejer uit het politieke midden, polarisatie en vooral stagnatie. Noodzakelijke hervormingen op de arbeidsmarkt, de huizenmarkt en de pensioenvoorziening komen in deze periode van politieke impasse nauwelijks van de grond.

Ter gelegenheid van de 371ste Dies Natalis van de universiteit van Amsterdam memoreert Prof. Mr. Paul F. van der Heijden aan het feit dat de Erasmus universiteit zich tegen de herbenoeming uitsprak van wijlen professor Pim Fortuyn (Albeda-leerstoel, bijzonder hoogleraar Arbeidsverhoudingen in de publieke sector, 1991-1995). Het curatorium vond zijn publicaties onder de wetenschappelijke maat. Het verweer van professor Fortuyn dat hij in die periode gemiddeld 50.000 exemplaren van zijn boeken had verkocht mocht niet baten. Immers, zo riposteerde een van de leden van het curatorium, Annie M.G. Schmidt verkocht in dezelfde periode meer. Verkoopcijfers behoren niet tot de criteria voor een wetenschappelijke functie. Een andere bevinding aldus van der Heijden betrof een opiniestuk van Professor Kol, hoogleraar Europese Integratie in ‘kwaliteitsdagblad’ NRC Handelsblad van 30 juli 2002. Naar aanleiding van een staking van grondtechnici bij de KLM pleitte Professor Kol voor de afschaffing van het stakingsrecht in Nederland. Een dergelijk besluit betekent voor Nederland onder meer het opzeggen van lidmaatschap van de Raad van Europa en het Europees Sociaal Handvest. Niets daarvan in het artikel en zo concludeert van der Heijden, een dergelijk stuk zou een wetenschappelijk tijdschrift niet halen “maar passeert moeiteloos de opinieredacteur van de NRC.”[27]

De vraag naar de publieke intellectueel is dus de vraag naar de politiek beïnvloedende intellectueel, die, al dan niet als wetenschapper verbonden aan een universiteit, zich richt tot een breed publiek. Diverse redenen en motieven spelen hierbij een rol. Ten eerste, het onderwijs – en informatiemotief. De wens om via de media in leesbaar proza bij te dragen aan politieke meningsvorming. Ten tweede, de economie van vraag en aanbod. Er is een vraag vanuit het publiek en er verschijnt een publicatie over het onderwerp. Of anders, creëer een publiek en houdt deze in stand door regelmatige productie van teksten. De revenuen die dat oplevert genereert voor meerdere partijen (auteur, uitgeverij) redenen van bestaan. Ten derde, motieven van ideologische – of religieuze aard. Diep gewortelde overtuigingen of mensbeelden die de publieke opinie en de politieke verhoudingen de gewenste kant opsturen met het oog op een idee van een welgeordende samenleving. Ten vierde, het leveren van duiding aan actuele politieke gebeurtenissen. Tenslotte, ten vijfde, redenen van psychologische aard. Wij voelen onszelf relevant en ertoe doen indien wij succesvol zijn in de constructie van publiek respect voor ons intellectueel werk. Collini bespreekt de intellectueel als cultureel fenomeen. De figuur die op basis van bekendheid of status de mogelijkheid heeft een groot publiek aan zich te binden.[28] In Nederlandse context valt te denken aan Harry Mulisch of de historicus Maarten van Rossum, die over tal van onderwerpen in de media op karakteristieke wijze zijn mening verkondigt.

De activistische presentie van intellectuelen in de publieke ruimte heeft geleid tot de moderne anti-intellectuele intellectueel.[29] De intellectueel die op intellectuele wijze anti-intellectueel is. De werkelijkheid wordt gesimplificeerd tot kant en klare sjablonen. Het eerste slachtoffer is de nuance. Todd Gitlin spreekt van ‘the rise of a new form of faux cerebration: punditry.’ De mediagenieke deskundige die met zijn of haar ‘pre-cooked opinions’ zich richt op vlotte performance in plaats van kwalitatieve argumentatie. De media-intellectueel als entertainer om in een avondvullend programma het publiek te behagen als “a substitute for knowledge about what would improve society.”[30] Er lijkt sprake van wederzijds voordeel. Het praatprogramma kan, niet gehinderd door academische standaarden, een ‘deskundige’ presenteren. Omgekeerd krijgt de deskundige een platform die van economische waarde is. Maarten van Rossum, academisch historicus, aangezocht door het NOS journaal om in de media commentaar te leveren op de oorlog in Irak, heeft nu zijn eigen glossy en is uitgegroeid tot een vaste waarde als televisiedeskundige. Onlangs verscheen de hoogleraar Amerikanistiek in het televisieprogramma Voetbal International. Uiteraard met deskundig commentaar op de bestuurscrisis bij voetbalclub Ajax. “In place of thought we have opinion; in place of argument we have journalism, in place of polemic we have personality profiles. In place of… public dialogue, we have celebrity chat shows….”[31]

De aan universiteiten verbonden publieke intellectuelen in Nederland zijn de afgelopen 10 jaar steeds minder wetenschappers van objectieve ernst en academische distantie en steeds meer ideologen, constructeurs van de tijdgeest. Maar hoe zit het met het meer bedekte, sluipende gevaar van wat Posner omschrijft als ‘more public, less intellectual?’ Onderzoek uit de Verenigde Staten laat zien dat hoe meer academische intellectuelen naar buiten treden met hun mening hoe lager ze scoren op ranglijsten van citaties en producties in wetenschappelijke tijdschriften. Bovendien, welke verantwoordelijkheid hebben universiteiten wanneer hoogleraar X of universitair hoofddocent Y in de publieke ruimte meningen debiteren die niet aan academische standaarden voldoen?[32] Hoe zit het in Nederland? 'Bèta-filosoof' Bas Haring: "Toen ik bijzonder hoogleraar in Leiden werd, dacht ik: nu ben ik professor, nu moet ik gaan publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Maar daar ben ik niet zo goed in. Het zou heel dom zijn als ik iets ging doen waar ik niet goed in ben. En ik heb een hele zwik mensen in mijn groep die dat wel doen. Ik blijf fijn doen wat ik doe."[33] Zelf schrijft hij leuke boeken voor een breed publiek. Professor Pim is hem voorgegaan. Nooit eerder is met zo'n exebitionistische schaamteloosheid het dedain voor onderzoek en kennisverwerving geformuleerd. Wat zou er aan de hand zijn bij het curatorium van de Leidse universiteit?

Dit essay laat zien dat het Christendom geen gelukkige rol heeft gespeeld bij de constructie van collectief zelfvertrouwen. Het heeft niet zozeer iets met het geloof te maken als wel met het misbruik door intellectuelen om de eigen belangen te dienen. De collaboratie met de macht heeft wantrouwen gecreëerd tegen de doelstellingen van de verlichting. Tegelijkertijd heeft de ‘Europese cultuur’ de verdiensten van de verlichting geadopteerd. Dit spanningsveld is een vruchtbare bodem gebleken voor intellectuele zelfpromotie. De consequenties voor het bredere publiek zijn desastreus gebleken. De spagaat, enerzijds wantrouwen, anderzijds omarming, produceert collectieve verwarring. De afname van de invloed van het Christendom heeft zo geleid tot een law and order reflex van totalitaire regimes in de 20e-eeuw.

In Nederland heeft de ontzuiling een crisis van het bewustzijn veroorzaakt en eenzelfde soort verwarring bewerkstelligt. Een mismaaksel die een verrechtsing van het denken tot gevolg heeft gehad. De Centrum-Democraten in de Jaren-80, het schepsel Fortuyn en impassepolitiek in het eerste decennium van de 21e-eeuw. Tenslotte - niet te vergeten - de opkomst van een conservatieve, anti-Europa meningenindustrie. De reflectie op de ethiek van de publieke intellectueel staat nog in de kinderschoenen

Ja het zelfvertrouwen in de Europese cultuur is ondermijnd. Religie heeft daarbij een cruciale rol gespeeld. Maar niet zoals men zou verwachten. Het Christendom is misbruikt door intellectuelen die daarmee veronderstelden de cultuur te kunnen redden van de verlichting. Het heeft geresulteerd in een mosterlijk denken. Een denken dat haar hoogtepunt vindt bij de interbellumintellectuelen. Zij hebben de geest voorbereid op de grote Europese rampen in de eerste helft van de 20e-eeuw. Van de transcendente theologie van de Maistre naar politieke theologie van Carl Schmitt. Precies die transformatie heeft het Europese zelfvertrouwen blijvend aangetast. Immanuel Kant zocht naar eeuwige vrede. Hitler naar eeuwige macht. Zolang het (heimelijke) verzet bij met name conservatieve intellectuelen tegen de idealen van de verlichting blijft bestaan - in Nederland wordt gewerkt aan alweer een nieuwe generatie contra-verlichte denkers[34] - blijft de vraag hoe het toch kan dat uit de cultuur van Goethe en Schiller ook Auschwitz is voortgekomen, fundamenteel onbeantwoord.

Terugkeer naar de religie als cultuuruiting en machtsfactor tegen een Europa die gestaagt verder werkt aan de Eurpese integratie lijkt een nieuwste poging van de Nederlandse Geistesadel om de positie tussen volk en politieke elite te behouden en vitaal te houden. Een gerevitaliseerd onderwerp om het publiek , de consument van de geest, als machtsbasis te kunnen handhaven. Klaarblijkelijk is het multiculturalisme als thema en toegangspoort voor intellectuelen tot een publiek gehoor uitgewerkt. Kritische beschouwingen over het cultuurrelativisme zijn niet langer effectief. Ook Wilders kan met zijn islamofobie geen potten meer breken. Nieuwe vormen van attentie worden uitgeprobeerd zoals door hoogleraar Ewald Engelen, die druk in de weer is zichzelf met zijn ‘BurgerforumEU’ tegen verdere Europese integratie en ‘bemoeienis van Brussel’ te positioneren als respectabele publieke intellectueel. De positie van Paul Scheffer of Frits Bolkestein heeft hij nog niet, maar de (economische) vooruitzichten zijn gunstig.

Dagblad Trouw[35] verbaast zich over de aandacht in alle kwaliteitsmedia voor het onlangs gehouden ‘nationaal religiedebat.’ Dit debat werd in januari gehouden in de Europese tempel der wijsheid Felix Meritis. Vanwaar al die aandacht, vraagt het blad zich af. Ook de Groene Amsterdammer heeft zich van haar beste kant laten zien. De mediabrede aandacht die veel weg heeft van het publieke debat tussen Heinrich Jacobi en Moses Mendelssohn, bekend als de Spinoza-streit, komt uit de lucht vallen.[36] Of toch niet? In ieder geval was de zaal uitgekocht.

 

 

 


[1] Lovejoy, Arthur, O. (1965). The Great Chain of Being: The Study in the History of an Idea. New York, Harper Torchbooks, 14-23.

[2] In Nachgelassene Fragmente in Nietzsche Werke: Kritische Gesamtausgabe Nietzsche:       Walter de Gruyter, 1967)

[3] Informatie over de contra-verlichting: Berlin, Isaiah. (2001).  Against the Current. Essays in the history of ideas. Princeton University Press, 1-28. Sternhell, Zeev. (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. Yale University, 1-39. Wolin, Richard. (2004). The Secuction Of Unreason. The intellectual romance with fascism from Nietzsche to postmodernism. Princeton University Press, 1-23. Boterman, Frits (2013). Cultuur als Macht. De Arbeiderspers, 14-19.

[4] Blom Fillipp. (2010). The Wicked Company. De Bezige Bij. Vertaald door Pon Ruiter

(2010). Het Verdorven Genootschap. 120-134.

[5] Ibid., 137-138.

[6] Ibid., 425-428.

[7] Ibid., 139.

[8] Ibid., 134 – 139.

[9] Ibid., 145.

[10] Boterman., 27-38.

[11] Beiser, Frederik. (1192). Enlightentment , Revolution and Romanticism: the Genesis of Modern German Political Thought, 1790-1800, 41.

[12] Kantzenbach, Friedrich Wilhelm (1970). Herder. 8e Druk (2002). Reinbek bei hamburg, 97

[13] Boterman., 23-24.

[14] Sternhell. (2010), 21.

[15] Geciteerd in Boffa, Massimo. Maistre, The `Critical Dictionary of the French Revolution.’ Havard University Press, 1990. p. 966

[16] Spengler. Oswald. Der Untergang des Abendlandes, 1918-1922.

[17] Ceasar, James, (1997). Reconstructing America.: The symbol of America in Modern Thought. Yale University Press, 24.

[18] Durand, Echeverria, (1957). Mirage in the West: A history of the French image of American Society to 1815. Princeton university Press, 10.

[19] Wolin (2004), 278-314.

[20] Maistre Joseph, (1796). Considerations on France. Vertaling R. Lebrun. McGill – Queens University Press, 1974. p.108 . Engelse vertaling van: Maistre. Oeuvres complètes. Geneve: Slatkine, 1979.

[21] Ibid, 109.

[22] Ibid, 97.

[23] Richter, Melvin. A debate on race: The Tocqueville – Gobineau Correspondence. Commentary, 155 - 160.

[24] Schmitt, Carl (1922). Politische Theologie. Vier Kapitel zur Lehre von der Souveränität.

[25] Heidegger, Martin. An introduction to metaphysics. Yale University Press, 1959. p. 57.

Zie voor het anti-Amerikanisme en anti-Semitisme in het denken in Heidegger: Ermarth. Michel (2000). ‘Heddegger on Americanism: Ruinanz and the End of Modernity.” Modernism/Modernity 7 (3). pp. 379 – 400. En Kittsteiner, Heinz (1997). “Heideggers Amerika als Ursprungsort der Weltverdüsterung.” Deutsche Zeitschrift fur Philosophie 45., 599 – 617.

[26] Ott, Hugo (1988). Martin Heidegger: Unterwegs zur seiner Biographie, 105.

 

[27] Heijden, van der, Paul, F. (2003). Publieke Intellectuelen. Vossiuspers .UvA.

[28] Collini, Stefan. (2002). “Every Fruit-juice Drinker, Nudist, Sandal-wearer…”: Intellectuals as Other People. In: The Public Intellectual. Edited by Helen Small.

[29] Lilla, Mark (2001). The Reckless Mind: Intellectuals and Politics. New York Review Books.

[30] Gitlin, Todd. (2000). The Renaissance of Anti-Intellectualism. Chronicle of Higher Education. December, 9.

[31] Ignatieff, Michael (1997). “Where are they now?” Prospect Taster, 4-5.

[32] Posner, Richard A. (2003). Public Intellectuals. A study of decline. Harvard University Press. 167-220.

[33] De Volkskrant, 19 November 2011.

[34] Zie bijvoorbeeld de publicaties van Thierry Baudet: Conservatieve Vooruitgang en De Aanval op de Natiestaat.

[35] Trouw. 25 januari 2014: ‘Twist-over-Adam-of-aap-is-passe.’

[36] Beiser, Frederick (1993). The faith of reason, 44. Zie ook Jacobi, Friedrich Heinrich (1785). Über die Lehre des Spinoza in Briefen an den Hernn Moses Mendelssohn.   

Ethisch liberalisme

"You really think it’s air you’re breathing now?" - Morpheus in 'The Matrix'

Subnavigatie
Artikelnavigatie