De academische intellectueel als opiniemaker.

Ter gelegenheid van de 371ste Dies Natalis van de universiteit van Amsterdam memoreerde Prof. Mr. Paul F. van der Heijden aan het feit dat de Erasmus universiteit zich tegen de herbenoeming uitsprak van wijlen professor Pim Fortuyn (Albeda-leerstoel, bijzonder hoogleraar Arbeidsverhoudingen in de publieke sector, 1991-1995). Het curatorium vond zijn publicaties onder de wetenschappelijke maat. Het verweer van professor Fortuyn dat hij in die periode gemiddeld 50.000 exemplaren van zijn boeken had verkocht mocht niet baten. Immers, zo riposteerde een van de leden van het curatorium, Annie M.G. Schmidt verkocht in dezelfde periode meer. Verkoopcijfers behoren niet tot de criteria voor een wetenschappelijke functie. Een andere bevinding aldus van der Heijden betrof een opiniestuk van Professor Kol, hoogleraar Europese Integratie in ‘kwaliteitsdagblad’ NRC Handelsblad (30 juli 2002). Naar aanleiding van een staking van grondtechnici bij de KLM pleitte Professor Kol voor de afschaffing van het stakingsrecht in Nederland. Een dergelijk besluit betekent voor Nederland onder meer het opzeggen van lidmaatschap van de Raad van Europa en het Europees Sociaal Handvest. Niets daarvan in het artikel en zo concludeert van der Heijden, een dergelijk stuk zou een wetenschappelijk tijdschrift niet halen “maar passeert moeiteloos de opinieredacteur van de NRC.” (van der Heijden, 2003).

Wat is een publieke intellectueel? De term ‘Clercs’ duikt voor het eerst op in j’Accuse van Emile Zola in 1903 een open brief aan de president als aanklacht tegen de onterechte veroordeling van een Joodse kapitein. Ook wel bekend als de Dreyfuss affaire. In het algemeen kan gezegd worden dat een publieke intellectueel iemand is die in woord en geschrift de publieke opinie tracht te beïnvloeden. Niet alle publieke intellectuelen zijn verbonden "...nu ben ik professor, nu moet ik gaan publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Maar daar ben ik niet zo goed in." - Bas Haring. Wat zou er aan de hand zijn bij het curatorium van de Leidse universiteit? aan een universiteit (Posner, 2003). De term is te beschouwen als een sociologische categorie. Een maatschappelijke kaste van denkers, opiniemakers - de intelligentsia - die door middel van algemene ideeën, sociale visies of ideologische predisposities gericht zijn op politiek-maatschappelijke relevantie (Sowell, 2009). Door positie te kiezen; via publicaties een mening uit te dragen en zich te manifesteren in de media hopen zij het verschil te maken en het maatschappelijk debat te beïnvloeden. Zij opereren vanuit een positie van “detached attachment.” Zij pretenderen op afstand te staan om als ‘zieners’ de politieke werkelijkheid van deskundig commentaar te voorzien (Melzer, 2003 p. 3-9).

Onderwerpen van publieke intellectuelen zijn van politieke aard of liggen politiek gevoelig. In Nederland met name op het gebied van de Integratie en sinds 10 jaar politiek relevant populisme. De achtergrond van de dames en heren in kwestie zijn voornamelijk de humaniora waaronder filosofie, geschiedenis en sociale wetenschappen. Met deze restricties wordt een bèta-wetenschapper niet beschouwd als een publieke intellectueel (Posner, 2003). Vincent Icke, die op publieksvriendelijke wijze gepassioneerd schrijft over sterren, planeten en de snaartheorie valt dus buiten de omschrijving, hoewel hij voldoet aan secundaire voorwaarden van een publieke intellectueel: voor een geïnteresseerd publiek in begrijpelijke taal complexe materie uit zijn vakgebied verhelderen. Zijn bijdragen zijn echter informatief en niet gericht op politieke meningsvorming. Bovendien is hij door de media (nog) niet gevraagd zijn mening te geven over het Iraanse atoomprogramma (een vraag buiten zijn vakgebied, kenmerkend voor publieke intellectuelen).

De vraag naar de publieke intellectueel is dus de vraag naar de politiek beïnvloedende intellectueel, die al dan niet als wetenschapper verbonden aan een universiteit zich richt tot een breed publiek. Diverse redenen en motieven spelen hierbij een rol. Ten eerste het onderwijs – en informatiemotief. De wens om via de media in leesbaar proza bij te dragen aan politieke meningsvorming. Ten tweede de economie van vraag en aanbod. Er is een vraag vanuit het publiek en er verschijnt een publicatie over het onderwerp. Of anders, creëer een publiek en houdt deze in stand door regelmatige productie van teksten. De revenuen die dat oplevert genereert  voor meerdere partijen (auteur, uitgeverij) reden van bestaan. Ten derde motieven van ideologische – of religieuze aard. Diep gewortelde overtuigingen of mensbeelden die de publieke opinie en de politieke verhoudingen de gewenste kant opsturen met het oog op ons idee van een welgeordende samenleving. Ten vierde het leveren van duiding aan actuele politieke gebeurtenissen. In Nederland heeft de academische publieke intellectueel zich ontwikkeld tot pseudo-politicus die op geheel eigen wijze de massa beïnvloed en monteert tot publiek.Tenslotte, ten vijfde, redenen van psychologische aard. Wij voelen onszelf relevant en ertoe doen indien wij succesvol zijn in de constructie van publiek respect voor ons intellectueel werk. Collini onderscheidt naast de besproken sociologische categorie tevens de intellectueel in de subjectieve betekenis - de attitude of belangstelling die wij hebben voor ideeën – en ten derde als cultureel fenomeen. De figuur die op basis van bekendheid of status de mogelijkheid heeft een groot publiek aan zich te binden (Collini, 2002. p. 209). In Nederlandse context valt te denken aan Harry Mulisch of de historicus Maarten van Rossum, die over tal van onderwerpen in de media op karakteristieke wijze zijn mening verkondigt.

Sinds de opkomst van internet is het streven naar politiek-intellectuele beïnvloeding verder gedemocratiseerd. Het succes van sociale media als Twitter en Facebook centreert zich in het hebben van zoveel mogelijk volgers. Hoe meer, hoe beter, want betekent meer relevantie en groter bereik voor onze ideeën, onze activiteiten en stijl van leven. In The Last Intellectuals. American Culture In The Age Of Academe schetst Russel Jacoby een geheel ander beeld van de academische intellectueel. Deze heeft zich teruggetrokken uit het publieke debat, bezig met peer reviews en specialistische analyses binnen de context van een in stand te houden
veilige professorale en op persoonlijke erkenning gerichte academische omgeving (Jacoby, 1987). De oorzaak zou zijn gelegen in de postmoderne afwijzing van een op de Verlichting gebaseerde normatieve rationaliteit. Door deze afwijzing, veelal in de vorm van het multiculturalisme, achtten academische intellectuelen, voornamelijk van linkse signatuur, het niet langer opportuun zinvol in de publiek-politieke verhoudingen te interveniëren (Jacoby, 1999, pp. 33, 39, 66). Deze houding is met name bij Richard Rorty zichtbaar, die voor de maatschappelijke werkelijkheid nog slechts de ironie over heeft (Rorty, 1989). Jacoby, behoort met auteurs als Pierre Bourdieu: het streven naar een ‘Internationale des intellectuels’ tegen de kapitalistische economie (Bourdieu, 1997); Edward Said: de onvermijdbaarheid van de ‘politization of the intellectual’s work’ (Said, 1993) en Stefan Collini: “Intellectuals are ordinary” (Collini, 2002) tot de stroming die in navolging van Satre en Foucault voorstander is van intellectuele beinvloeding bij publieke meningsvorming.

Activistische presentie heeft echter volgens critici geleid tot de moderne anti-intellectuele intellectueel (Lila, 2001; Wolin, 2004). De intellectueel die op intellectuele wijze anti-intellectueel is. Niet geheel onbegrijpelijk. Immers het te monteren brede publiek behoort niet tot de intelligentsia. De werkelijkheid dient derhalve gesimplificeerd te worden tot kant en klare sjablonen. Het eerste slachtoffer is de nuance. De renaissance van het anti-intellectualisme heeft aan de ene kant een praktische uitwerking in het populaire ressentiment jegens de culturele elite. Aan de andere kant geworteld in de intellectuele geschiedenis als een kentheorie door Isaiah Berlin geduid als de Contraverlichting (Berlin, 2001) of Antiverlichting ( Zeev Sternhell, 2010). In dit kentheoretisch. Populisme in Nederland is niet zozeer een historisch verschijnsel maar een bijproduct van de oorlog tussen elites om publieke definitiemacht. De aan de universiteit verbonden publieke intellectueel speelt daarin een voorname en vooralsnog onderbelichte rol. perspectief zijn kennis, inzicht, recht en waarheid cultuur bepaalde toevalligheden in tegenstelling tot de transcendentale rationaliteit van de Franco-Kantiaanse verlichting. Todd Gitlin spreekt van “the rise of a new form of faux cerebration: punditry.” De mediagenieke deskundige die met zijn of haar “pre-cooked opinions” zich richt op vlotte performance in plaats van kwalitatieve argumentatie. De media-intellectueel als entertainer om in een avondvullend programma het publiek te behagen als “a substitute for knowledge about what would improve society.” (Gitlin, 2000). Er lijkt sprake van wederzijds voordeel. Het praatprogramma kan, niet gehinderd door academische standaarden, een ‘deskundige’ presenteren. Omgekeerd krijgt de deskundige een platform die van economische waarde kan zijn. Maarten van Rossum, academisch historicus, aangezocht door het NOS journaal om in de media commentaar te leveren op de oorlog in Irak, heeft nu zijn eigen glossy en is uitgegroeid tot een vaste waarde als televisiedeskundige. Onlangs maakte de hoogleraar Amerikanistiek zijn opwachting bij het televisieprogramma Voetbal International. Uiteraard met deskundig commentaar op de bestuurscrisis bij voetbalclub Ajax. Waar zijn de onafhankelijke intellectuelen gebleven die zich ver houden van trivia? “In place of thought we have opinion; in place of argument we have journalism, in place of polemic we have personality profiles. In place of… public dialogue, we have celebrity chat shows….” (Ignatieff, 1997).

De aan universiteiten verbonden publieke intellectuelen in Nederland zijn de afgelopen 10 jaar steeds minder wetenschappers van objectieve ernst en academische distantie en steeds meer ideologen, constructeurs van de tijdgeest. Een periode waar in de politiek het populisme de politieke realiteit dicteert. Kunnen deze lieden worden gezien als promotoren van dit populisme? Grote verontwaardiging over frauderende wetenschappers. Maar hoe zit het met het meer bedekte, sluipende gevaar van wat Posner omschrijft als ‘more public, less intellectual?’ Onderzoek uit de Verenigde Staten laat zie dat hoe meer academische intellectuelen naar buiten treden met hun mening hoe lager ze scoren op ranglijsten van citaties en producties in wetenschappelijke tijdschriften. Bovendien, welke verantwoordelijkheid hebben universiteiten wanneer stafleden als hoogleraar X of universitair hoofddocent Y in de publieke ruimte meningen debiteren die niet aan academische standaarden voldoen? (Posner, 2003, pp. 167- 220). Hoe zit het in Nederland? 'Bèta-filosoof' Bas Haring: "Toen ik bijzonder hoogleraar in Leiden werd, dacht ik: nu ben ik professor, nu moet ik gaan publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Maar daar ben ik niet zo goed in. Het zou heel dom zijn als ik iets ging doen waar ik niet goed in ben. En ik heb een hele zwik mensen in mijn groep die dat wel doen. Ik blijf fijn doen wat ik doe." (Volkskrant, 19 november 2011). Zelf schrijft hij leuke boeken voor een breed publiek. Professor Pim is hem voorgegaan. Nooit eerder is met zo'n exebitionistische schaamteloosheid het dedain voor onderzoek en kenisverwerving geformuleerd. Wat zou er aan de hand zijn bij het curatorium van de Leidse universiteit? Ook in Nederland wordt het tijd voor een ‘Posner-test.’

Politiek-populisme maar ook het cultureel populisme in bredere zin - hetgeen professor Haring pertinent etaleert -  heeft net als het liberalisme en het socialisme een kentheoretische achtergrond. Politieke kentheorie handelt over vragen betreffende de relatie tussen mensbeelden en ideeën over de welgeordende samenleving. Academische intellectuelen als Frits Bolkestein, Frank Ankersmit, Paul Scheffer, Arend Jan Boekestijn, Ad Verbrugge, Afshin Ellian, Bart Jan Spruyt en Paul Cliteur (hierna te noemen: Academische Acht) hebben twee aspecten gemeen die samenhangen met de politieke kentheorie van het populisme. Onderzoek moet uitwijzen of er een verband bestaat tussen de kentheorie van het populisme en de publieksproducties van de Academische Acht. Ten eerste het verzet tegen het multiculturalisme. De tijdgeest van het afgelopen decennium in Nederland kenmerkt zich door een sterk antimulticultureel sentiment. Ten tweede een cultuur georiënteerd nationalisme. Met cultuur wordt gedoeld op het primaat van de dominante groep in de samenleving. In het politiek-populisme van Geert Wilders is de Leit-cultur de dominante ‘Henk en Ingrid.’ Nationalisme, omdat het populisme zich in politiek en economisch opzicht naar binnen oriënteert op het ‘Heartland’ (Taggart, 2000), waaronder de organische vraag naar ‘de’ Nederlander; zoektocht naar de ‘eigen’ identiteit,  ‘gedeelde vormen’ en ‘bezielend verband.’

Uitgangspunt is populisme als bewust academisch intellectuele construct van de publieke opinie. Niet een autonoom verschijnsel met een ‘eigen’ dynamiek. Zou het laatste het het geval zijn dan kunnen wetenschappers zich door wetenschappelijk verantwoorde publicaties eenvoudig beperken tot onderzoeken met discursieve verklaringen, ondersteund door statistieken en verwijzend notenapparaat. Maar de vermenging van academische- en publieke intellectualiteit is niet onproblematisch voor wetenschappelijk onderzoek. In Nederland heeft de academische publieke intellectueel zich namelijk ontwikkelt tot een pseudopoliticus die op geheel eigen wijze de massa beïnvloed en monteert tot publiek. Volgens Jean Baudrillard een illusoire bezigheid omdat de montage plaats vindt in een wereld waar de werkelijkheid volledig geabsorbeerd is door “its statistical, simulative projection in the media.” De intellectuele – politieke – en technocratische elites zijn er om de massa te vertellen wat zij moeten willen en ‘wij’ vinden het afschuiven van verantwoordelijkheid naar door de media geframede elites wel zo prettig. Het valt immers niet mee in een complexe samenleving te weten wat te willen, wat te wensen (Baudrillard, 1985). De intellectueel is hier in de dubbelrol. Enerzijds als fictieve politieke De politiek-intellectuele geschiedenis van de afgelopen 10 jaar portretteert een poging tot herdefiniëring van de balans tussen democratie als wil van het volk en de Rechtsstaat als fundament van democratie. autoriteit die prettig vertelt wat 'wij' moeten vinden. Aan de andere kant de constructeurs van een historische werkelijkheid die verleidt tot het adopteren van een standpunt, zodat 'wij', hoe illusoir ook, verworden tot publiek met een mening die toekijkt en handelt onder regie van dezelfde intellectuele elite. Dit proces van reïficatie vindt haar klassieke voorbeeld bij Marx en het daarbij behorende publiek genaamd ‘proletariaat.’ In zekere zin is er dan ook een verband te verwachten tussen de door de massamedia verspreid intellectueel populisme en de historische ‘werkelijkheid’ van ‘Henk en Ingrid.’

Het populistische ressentiment jegens de elite, ook al wordt zij tegenwoordig niet meer ‘kapitalist’, eerder ‘regent’ of ‘mastodont' genoemd, is relatief. De populist is niet zozeer tegen de elite an sich, maar wenst een andere elite, een nieuw verhaal wat te willen, wat te denken. Nieuwe termen, nieuwe teksten. Het populisme in Nederland is dan niet zozeer een historisch verschijnsel maar een bijproduct van oorlog tussen elites om publieke definitiemacht. De academische publieke intellectueel speelt daarin een voorname maar onderbelichte rol. Onderzoek moet uitwijzen of er een verband bestaat tussen de kentheorie van het populisme en de publieksproducties van de Academische Acht.

De Nederlandse politiek-intellectuele geschiedenis van de afgelopen 10 jaar portretteert een al dan niet georkestreerde poging tot herdefiniering van de balans tussen democratie als wil van het volk en de Rechtsstaat als fundament van de democratie. Het recht dreigt onderschikt te raken aan of geherformuleerd te worden voor een nieuw gevormde politiek dominante groep ‘Henk en Ingrid.’ Niet dat de goede hoop aan de zelfreinigende werking en veerkracht van de democratie wordt getwijfeld. Zolang de Rechtsstaat zoals wij die kennen fier overeind blijft, is er niets aan de hand. Echter het feit dat academische intellectuelen populisme gebruiken als instrument om zichzelf een publiek te construeren, zou in ethico-morele zin als verwerpelijk kunnen worden gekwalificeerd. Alfred Rozenberg, Ernst Junger, Moeller van den Bruck, Oswald Spengler en Martin Heidegger zijn allen Interbellum-intellectuelen die de geesten rijp hebben gemaakt voor de uiteindelijke doch tijdelijk omverwerping van democratie (Wolin, 2004). De hedendaagse intellectuele heren in kwestie - dames hebben zich nog niet gemeld - zien het als een heilige plicht hun mening ongenuanceerd te verkondigen. Op basis van hun geleerdheid – academische standaarden, peer review, methodologie, reikwijdte van onderzoek, meta-analyse en genuanceerde discussie - zouden zij beter moeten weten. 

Tafels als die van Pauw en Witteman blijken onweerstaanbaar. 

© November 2012.

Bibliografie

Berlin, Isaiah. (2001).  Against the Current. Essays in the history of ideas. Princeton University Press.

Bourdieu, Pierre. (1997). Meditations pascaliennes.; Contre-feux 2; “Less intellectuels et la guerre.” Zie ook: Jennings, Jeremy (2002) Deaths of the intellectual: A Comparative Autopsy. In: : The Public Intellectual. (2002). Edited by Helen Small.

Baudrillard, Jean. (1985). “The Masses: The implosion of the Social in the Media.” Selected Writing, 2nd edition, revised and expanded. Edited and introduced by Mark Poster.  Cambridge Polity Press, 2001, pp. 218-9.

Collini, Stefan. (2002). “Every Fruit-juice Drinker, Nudist, Sandal-wearer…”: Intellectuals as Other People. In: The Public Intellectual. (2002). Edited by Helen Small.

Gitlin, Todd. (2000). The Renaissance of Anti-Intellectualism. Chronicle of Higher Education. December. p. 9.

Heijden, van der, Paul, F. (2003). Publieke Intellectuelen. Vossiuspers UvA.

Ignatieff, Michael. (1997). “ Where are they now?” Prospect “Taster, p. 4-5.

Jacoby, Russell. (1987). The Last Intellectuals . American Culture In The Age Of Academe. New York: Basic Books.

Jacoby, Russell. (1999). The End of Utopia: Politics and Culture in the Age of Apathy. New York: Basic Books.

Melzer, A.M.  (2003). What is an Intellectual? In: The Public Intellectual. Edited by Arthur M. Melzer, Jerry Weinberger, and M. Richard Zinman, 2003.

Posner, Richard A. (2003). Public Intellectuals. A study of decline. Harvard University Press.

Rorty, Richard. (1989). Contingency, Irony and Solidarity. Cambridge University Press.

Said, W. Edward. (1994). Representations of the Intellectual. The 1993  Reith Lectures.  First Vintage Books Edition, April 1996.

Sternhell, Zeev. (2010). The Anti-Enlightenment Tradition. Yale University.

Sowell, Thomas. (2009). Intellectuals and Society. New York: Basic Books.

Taggart, Paul. (2000). Populism. Buckingham: Open University Press.

Wolin, Richard. (1993). The Heidegger Controversy. A critical reader. Second printing, 1993. First MIT Press Edition.

Wolin, Richard. (2004). The Secuction Of Unreason. The intellectual romance with fascism from Nietzsche to postmodernism. Princeton University Press.


 

 

 

 

 

Ethisch liberalisme

"You really think it’s air you’re breathing now?" - Morpheus in 'The Matrix'

Artikelnavigatie